KenniscentrumZiekte/Aandoeningblaas › urineverlies / incontinentie › Urineverlies

Urineverlies

Incontinentie

Sommige mensen hebben moeite om hun plas (urine) op te houden. Urineverlies, ook wel incontinentie genoemd, komt op alle leeftijden voor en kent vele vormen en oorzaken. Het urineverlies kan variëren van een paar druppels urine tot het continu verliezen van alle urine die het lichaam aanmaakt. Bovendien kan dit slechts af en toe gebeuren of een paar keer per dag.

Niet iedereen zoekt hulp bij ongewenst urineverlies. Sommige mensen accepteren het probleem en beschouwen de incontinentie als iets dat er nu eenmaal bij hoort als je ouder wordt. Tegenwoordig zijn er echter vele mogelijkheden om ongewenst urineverlies te verhelpen.

Op deze pagina:


Functie van de blaas

De belangrijkste functie van de blaas is het opslaan van urine en het ledigen van de blaas. Het opslaan van urine gebeurt gedurende de dag constant omdat deze druppelsgewijs wordt gevuld vanuit de linker en de rechter nier. De aanmaak van urine is een continu proces en afhankelijk van de hoeveelheid vocht die we in ons lichaam meedragen. Drinken we veel, en moet er dus veel vocht worden afgevoerd, dan druppelt er meer urine in de blaas.
De blaas vult zich tot een bepaald niveau. De blaas geeft via de zenuwen aan de hersenen een signaal dat deze bijna vol is. Dan realiseren we ons dat we binnen enige tijd naar het toilet moeten. We hebben nog wel de mogelijkheid om het plassen nog even uit te stellen. Ondertussen raakt de blaas voller. Als de blaas de maximale inhoud bereikt wordt de prikkel naar de hersenen sterker en zullen wij meer aandrang voelen. We kunnen dan nog steeds de urine ophouden. De blaas blijft zich echter druppelsgewijs vullen. Het kan zijn dat na het overschrijden van de maximale blaascapaciteit de aandrang pijnlijk wordt. Normaal gesproken is er ook dan nog ruim de tijd om opzoek te gaan naar een toilet. De druk in de blaas blijft gelijk gedurende het vullen.

Urineverlies bij mannen uitzonderlijker dan bij vrouwen

Urineverlies komt zowel bij mannen als bij vrouwen voor, maar het is uitzonderlijker bij mannen. Dit heeft o.a. te maken met de lengte van de plasbuis. De plasbuis van mannen is langer dan die van vrouwen. Dit betekent dat zijn plasbuis een langer afsluitmechanisme heeft dat onderweg de binnenste sluitspier, de prostaat en de buitenste sluitspier tegenkomt. De vrouw heeft maar één afsluitmechanisme, de buitenste sluitspier ‘externe sfincter’.

Ook de ondersteuning van het omliggende weefsel speelt een rol. De bekkenbodem is bij vrouwen een stuk minder sterk dan bij mannen (ook door zwangerschap, verzakking etc). Een derde factor is dat het slijmvlies in de plasbuis een rol speelt bij het goed kunnen afsluiten. Na de overgang van vrouwen droogt dit slijmvlies uit waardoor de plasbuis minder goed dicht gedrukt kan worden en waardoor de plasbuis kwetsbaarder wordt en sneller geprikkeld kan zijn.

Incontinentie bij de man

Mannen zijn zelden incontinent. Urineverlies komt wel voor maar meestal in de vorm van nadruppelen. Dit ontstaat bij mannen bij wie de prostaat met het ouder worden problemen gaat geven. Deze mannen ontwikkelen plasklachten zoals een zwakke straal, meer aandrang en ’s nachts meerdere malen moeten plassen. Hierbij komt het nadruppelen vaak voor.

Andere vormen van mannelijke incontinentie zijn voornamelijk ‘iatrogeen’. Dit betekent dat het een gevolg is van een medische handeling. De belangrijkste oorzaak is urineverlies door een prostaatoperatie.
Bij een operatie vanwege een goedaardige prostaatvergroting komt deze complicatie weinig voor. Bij een prostaatoperatie vanwege prostaatkanker komt incontinentie bij ongeveer 10% van de geopereerde mannen voor.
Deze vormen van urineverlies zijn over het algemeen niet ernstig. Urineverlies komt ook voor bij mannen die lijden aan neurologische ziekten zoals een herseninfarct. Incontinentie bij mannen is moeilijk te behandelen.

Zie ook: Male sling-operatie

Vormen van incontinentie

Aandrang-incontinentie

Soms begint de blaas al met samentrekken zodra het eerste seintje aan de hersenen wordt gegeven dat de blaas gevuld is. De druk in de blaas zal hierdoor toenemen. Dit wordt gevoeld als ernstige (pijnlijke) aandrang alsof de blaas erg vol zit. De behoefte om te plassen kan dan nauwelijks worden uitgesteld. Als tijdens deze aandrang de druk in de blaas hoger wordt dan de druk in de sluitspieren, dan zal de urine uit de blaas lopen en is er sprake van incontinentie. (Zie ook: overactieve blaas).

Stressincontinentie (inspanningsincontinentie)

De druk in de blaas kan ook toenemen door hoesten, niezen, persen, springen of bewegen. Als de druk in het lichaam toeneemt zal de druk in de blaas ook toenemen. De sluitspieren van de plasbuis moeten dan in staat zijn om harder te knijpen zodat er geen urine uit de blaas kan. Als we beschikken over goed functionerende sluitspieren zal de urine keurig opgehouden worden.
Is dit niet het geval dan is er sprake van inspannings- of stressincontinentie. Deze vorm van incontinentie komt het meeste voor bij vrouwen na hun bevalling of bij een verzakking. (Een verzakking is het dalen van een orgaan, een deel van een orgaan of een weefsel als gevolg van verslapping van de bevestiging).
Soms is het probleem tijdelijk, maar vaak wordt deze incontinentie ernstiger gedurende het ouder worden.
Zie ook: stressincontinentie - behandeling bekkenfysiotherapeut

Oorzaken stressincontinentie

Er zijn verschillende oorzaken waardoor het afsluiten van de plasbuis faalt als de druk in de blaas te hoog wordt voor de sluitspier.

Hypermobiele urethra (bewegende plasbuis)

De plasbuis zit niet goed meer vast aan het omliggende weefsel en kan op en neer bewegen bij drukveranderingen in het lichaam. Hierdoor kan het zijn dat de wanden van de plasbuis van elkaar af worden getrokken en er een opening ontstaat waardoor de urine kan weglopen.

Intrinsieke sfincter deficiëntie (sluitspier sluit niet goed af)

Het woord sfincter staat voor sluitspier en deficiëntie betekent niet goed functioneren. Meestal is het niet meer goed werken van de sluitspier het gevolg van een ziekte, aandoening of behandeling in het bekkengebied. Operaties en bestraling veroorzaken littekenweefsel. Als dit in de sluitspier zit kan deze minder goed samentrekken. De plasbuis zal hierdoor ook bij lage druk in de blaas urine gaan lekken.

Stressincontinentie heeft te maken met het functioneren van de plasbuis (urethra). Deze bestaat voornamelijk uit spierweefsel en is ingebed in de bekkenbodem. De blaas is afgesloten met een sluitspier en de bekkenbodemspieren houden hem op zijn plaats. De bekkenbodemspieren vormen een soort hangmat van spieren onderaan het bekken. Het is een zeer complexe spier die de bekkentrechter afsluit. Er zitten echter drie verschillende openingen in: de vagina, de plasbuis en de anus. De bekkenbodemspier moet in staat zijn om selectief de verschillende functies te ondersteunen.

Behandelingen

Bekkenbodem-fysiotherapie

Stressincontinentie heeft te maken met het goed of niet goed functioneren van spieren in de bekkenbodem. Het ligt dan ook voor de hand dat de eerste keuze voor een behandeling fysiotherapie is in de vorm van bekkenbodemtherapie.
Met behulp van ‘biofeedback’ en meetapparatuur kan de bekkenbodemspier worden gecontroleerd, gestimuleerd en getraind.
Bij biofeedback worden signalen gebruikt om wenselijk gedrag aan te leren en ook bepaalde lichamelijke functies te optimaliseren. Patiënten met weinig tot matige stressincontinentie kunnen zichzelf zodanig trainen dat ze volledig droog blijven.
Ernstige stressincontinentie is meestal niet met bekkenbodemtherapie te verhelpen.

De incontinentie door de hypermobiele plasbuis is beter te behandelen met bekkenbodemtherapie dan urineverlies door afwijkingen in de sluitspier. Bekkentherapie is echter altijd aan te raden, aangezien het in goede conditie brengen van de bekkenbodemspier ook andere vormen van therapie ten goede komt.
Zie ook: oefeningen bekkenbodemspieren

Operaties bij stressincontinentie

Operatieve behandeling van stress-incontinentie is gebaseerd op ondersteuning van de blaashals (de overgang van de blaas naar de plasbuis) en de plasbuis. Hierdoor treedt er bij drukverhoging (persen, hoesten, niezen, tillen etc.) geen urineverlies op. Er zijn meerdere operatietechnieken waarvan de twee meest voorkomende worden beschreven. Operaties aan de sluitspier worden niet uitgevoerd zonder dat eerst bekkenbodemtherapie is gevolgd.

Operatie met plaatsen van een kunststof bandje (TVT-bandje)

Via de vagina wordt een kunststof bandje onder de plasbuis geplaatst. .

Er is veel variatie in de bandjes (TVT/TOT), maar in essentie is de functie van de bandjes gelijk. Een dergelijk bandje wordt ingebracht in de vaginavoorwand, en loopt dan naar de beide zijkanten of achter het schaambeen langs naar de buik. Deze bandjes worden niet vastgemaakt. Door de structuur van het materiaal grijpen ze in het weefsel. Hierdoor bewegen de bandjes mee met een spieractie. De bandjes krijgen hierdoor een dynamische werking.

Het inbrengen van het bandje is relatief eenvoudig. De operatie wordt normaal in een dagopname uitgevoerd.
Er wordt een klein sneetje gemaakt in de vaginavoorwand, ongeveer 1 cm onder de opening van de plasbuis. Het bandje wordt vervolgens rechts en links langs de plasbuis geleid, waarna de vaginavoorwand kan worden gesloten. Het bandje komt in de lies, ofwel in de buik naar buiten en wordt hier afgeknipt. De wondjes worden gehecht.
Als de juiste spanning op het bandje staat en het op de juiste plek ligt, ondersteunt deze de onderzijde van de plasbuis. Bij het optreden van druk kan de sluitspier van de plasbuis gemakkelijk samentrekken. Hierdoor wordt urineverlies voorkomen.

Zie ook: operatie voor mannen: Male sling-operatie

Complicaties

Als het bandje te strak is, kan dit leiden tot moeilijk plassen. Heel soms moet dan het bandje worden doorgeknipt. Maar, hierdoor gaat de werking niet verloren, het plassen zal wel gemakkelijker worden. In uitzonderlijke gevallen blijft het moeilijk plassen bestaan en kan de blaas niet goed geleegd worden. Dit kan aanleiding geven tot urineweginfecties. Als het bandje niet strak genoeg wordt aangelegd is het mogelijk dat het urineverlies blijft. Een vervelende complicatie van deze operatie is dat de slijmvliezen van de vagina steeds dunner worden en het bandje niet meer bedekt wordt. Dit kan aanleiding geven tot vervelende infecties. Gelukkig komt dit zeer zelden voor.

Statistieken

Zie ook: blogbericht Resultaten van 2 jaar incontinentie-chirurgie waarin de statistieken zijn weergegeven over de patiënten die deze behandeling hebben ondergaan.
Alle geopereerde patiënten sinds het begin van 2009 zijn gevolgd en in een database geregistreerd. In het bericht zijn de resultaten van de groep zichtbaar. De cijfers worden jaarlijks bijgehouden en gepubliceerd.

Behandeling met medicijnen

Voor stressincontinentie bestaat tot op heden geen goed medicijn. Bij aandrangincontinentie wordt wel vaak gebruik gemaakt van medicijnen. De blaas fungeert niet goed en is onrustig. De blaas begint samen te trekken terwijl de blaas nog niet vol is. Een onrustige blaas kan worden gekalmeerd met medicijnen (zie: overactieve blaas).

Het betreft hier ‘anticholinergica’. Deze zeer uitgebreide groep medicijnen heeft als belangrijkste werking het verslappen van de blaasspier. De darm wordt hierdoor overigens ook rustiger, dit kan aanleiding zijn voor obstipatie. Een andere bijwerking van dit medicijn is een droge mond en wazig zien. Meestal wordt het medicijn goed verdragen, hoewel de werking kan verschillen.
Het is vaak nodig om ook nog een ander medicijn te proberen totdat een goede verhouding wordt gevonden tussen de werkzaamheid en eventuele bijwerkingen. Als de pillen geen oplossing bieden, zoeken we naar alternatieve behandelingen.

Alternatieve behandelingen

Als de onrustige blaas niet reageert op de diverse therapieën is het mogelijk om de neurostimulatie te versterken. Door een pacemaker direct op de blaaszenuw te plaatsen kan de blaaszenuw en het samentrekken van de blaas sterk worden afgeremd. Een kleine groep patiënten met ernstige aandrangincontinentie kan hier baat bij hebben. Een dergelijke ingreep wordt uitsluitend in academische ziekenhuizen uitgevoerd.



Deel deze pagina: